Voordracht Francine Püttmann
- 27-03-2023
- 29-03-2023 11:34:10
- Jaap Meijer
- Nieuws
'Joods Wageningen en de Tweede Wereldoorlog, kroniek en herinnering'
23-3-2023
De Joodse gemeente Wageningen is nooit heel groot geweest. In 1810 telde deze 46 joden. Daarna groeide de gemeente waarschijnlijk nog een beetje. Maar tussen 1900 en 1920 kwijnde ze weg. Weinigen kwamen nog naar de sjoeldiensten en orthodox levende families vertrokken naar plaatsen met een actiever joods leven. Achterelkaar vertrokken er ook nog eens 4 voorgangers. Het mikwe, het rituele bad, werd gesloten en er was geen godsdienstonderwijs meer voor de kinderen.
De volgende 10 jaar ging het heel erg hard. Op 1 jan. 1921 stonden er nog 59 joden geregistreerd, 6 jaar later in 1927 nog maar 20.
In de jaren ‘30 was er sprake van een klein herstel. De Landbouwhogeschool, opgericht in 1918, trok joodse studenten en joods onderwijspersoneel. Onder de joodse studenten waren erbij die zich op emigratie naar Palestina wilden voorbereiden en daarvoor eerst een landbouwopleiding kwamen volgen. In de jaren 30 kwamen er ook joodse vluchtelingen uit Duitsland in Wageningen terecht. Daardoor telde Wageningen in 1940 40 joden. En tijdens de oorlog doken ook nog joden in Wageningen onder, die van buiten de stad kwamen.
Synagogediensten werden in de 18e eeuw in een kamer bij de familie Jacobs in de Hoogstraat gehouden. Na het overlijden van Hijman Jacobs stelde zijn weduwe in 1840 de bovenverdieping van het tabakspakhuis in de Riemsdijkstraat ter beschikking. De verdieping werd geheel als sjoel ingericht en er was plaats voor 70 mensen.
Pas in 1903 kwam er een echte sjoel, aan de Walstraat. De feestelijke inwijding vond plaats op de joodse datum 1 nisan 5763, 29 maart 1903. Vandaag is het volgens de joodse datum precies 1 nisan, maar omdat het joodse jaar een maanjaar is met 29 of 30 dagen per maand, valt 1 nisan elk jaar op een andere datum volgens onze gewone kalender.
We weten niet hoe het gebouw er van binnen uit heeft gezien. Er bestaat geen foto van. Wel is er een foto uit 1930 van de buitenkant. Deze foto is nu in het museum De Casteelse Poort te zien. De foto staat ook in het boek dat vandaag gepresenteerd wordt. Je ziet de sjoel in de sneeuw, achter kale besneeuwde bomen. Misschien herkent u het beeld, want er is ooit door Piet Holleman een aquarel van gemaakt, die vaak gepubliceerd is.
Afbeelding. Francine Püttmann -redacteur- en Alfred Püttmann -ontwerper van het boek- (bron: Philip Menco).
Toen in mei 1940 de oorlog uitbrak en rond de Grebbeberg gevochten werd, is een deel van Wageningen door Nederlands artillerievuur verwoest. Ook de sjoel lag in de vuurlinie. Het hele gebouw en ook het archief van de Joodse gemeente is toen verloren gegaan.
De aanloop van de oorlog en de oorlog zelf staan beschreven in het boek. Een van de hoofdfiguren is Michael van der Horst, die in de Bergstraat een antiekzaak had. Hij was vanaf 1930 secretaris- penningmeester van de Joodse gemeente en zeer goed op de hoogte van wat er speelde. Toen in de oorlog op bevel van de Nazi’s een Joodse Raad in Wageningen ingesteld moest worden, werd hij de vertegenwoordiger ervan. Bij hem moest je bijv. de jodenster kopen. Hij was ook de enige die nog een telefoon mocht hebben.
Michael van der Horst had Mein Kampf gelezen en begreep heel goed wat het voor de joden zou betekenen. Hij raadde dan ook iedereen aan om onder te duiken. Ook hij en zijn gezin hebben dat gedaan en overleefden zo de oorlog. Na de oorlog keerde Michael van der Horst terug in het bestuur van de Joodse gemeente, tot zijn overlijden in 1985.
De opzet van het boek is de geschiedenis te beschrijven van wat er in joods Wageningen tijdens de oorlog is gebeurd, maar ook wat eraan vooraf ging en wat het gevolg van de oorlog voor de joodse gemeente hier betekende.
Het boek is geschreven door drie auteurs: Ton Steenbergen, Hennie Slotboom en Jan van den Burg. Twee jaar geleden vroeg Madelon Bino, toen nog voorzitter van de Stg Joods Erfgoed Wageningen, mij om het boek te redigeren en klaar te maken voor publicatie. Ik had eerder al het boek over de oude joodse begraafplaats van Wageningen voor de stichting gemaakt.
Het manuscript van het boek bestond uit 16 hoofdstukken met 730 voetnoten. Het was mij al snel duidelijk dat de drie auteurs zoveel details van hun 5-jarige onderzoek in het boek hadden verwerkt dat de leesbaarheid daaronder sterk te lijden had. De hoofdstukken waren chronologisch ingedeeld en elk hoofdstuk bevatte biografische informatie over diverse personen. In bijna alle opvolgende hoofdstukken werden deze biografietjes weer met gegevens aangevuld. Hierdoor wist je niet meer wat er eerder over dezelfde persoon geschreven stond. Daarom heb ik alle biografische gegevens uit de hoofdstukken gehaald en in het laatste hoofdstuk achter elkaar geplaatst, zodat er per persoon een doorlopend verhaal is.
De 16 oorspronkelijke hoofdstukken heb ik teruggebracht naar 6. Het eerste hoofdstuk gaat over de periode kort voor de Tweede Wereldoorlog, waarin te lezen valt hoe het met de Joodse gemeente ging en welke joodse studenten naar Wageningen kwamen.
Het tweede hoofdstuk verhaalt over de oorlog en de jodenvervolging en wat dit betekende voor de joden van Wageningen.
Het volgende hoofdstuk gaat over de hulp aan onderduikers en het verzet.
Vele mensen uit het hele land zaten in Wageningen en omgeving ondergedoken. Zij zaten bij mensen in huis, waar het soms zeer moeilijk was. Mensen moesten vaak met meerderen op één kamer zitten, in kleine gehorige huizen. Niet iedereen hield het vol, niet alleen de onderduikers maar ook de onderduikgevers. Slechts een deel van de onderduikers heeft de oorlog overleefd.
Verzet tegen de anti-joodse maatregelen zag je in het begin bij de studentenverenigingen. Ze weigerden borden met Verboden voor Joden te plaatsen en weigerden ook joodse studenten niet meer toe te laten.
Een bekende verzetsgroep in Wageningen was de groep Westland-van de Weerd. Die bestond uit de drie broers Willem, Kees en Co Westland en het echtpaar Gert en Toos van de Weerd.
De broers Westland bezaten het Oranje Hotel in de Hoofdstraat. Co Westland was voor de oorlog getrouwd met de joodse Ray Krasner, die viool en saxofoon speelde in damesorkesten. Zij was afkomstig uit Londen en Co was zelfs joods geworden om met haar te kunnen trouwen. Ook Ray zat met haar man in het verzet. Zij heeft de oorlog overleefd. Hij is gepakt en gefusilleerd bij Overveen, samen met zijn broer Willem.
Na de oorlog moest de Joodse gemeente weer opgebouwd worden. In het 4e hoofdstuk kunt u lezen dat dit heel moeizaam ging. De sjoel was verwoest en veel joodse inwoners waren niet meer teruggekomen. In 1987 werd de Joodse gemeente opgeheven en samengevoegd met die in Arnhem.
In de jaren vanaf 1990 begon men in Wageningen aandacht te besteden aan wat er in de oorlog was gebeurd en hoe het joodse leven voor de oorlog eruit had gezien. Tentoonstellingen werden georganiseerd en in 2000 werd het joods monument de Levenspoort geplaatst. Een overzicht hiervan leest u in hoofdstuk 5.
Het laatste hoofdstuk in het boek is het langste. Die bestaat uit de biografieën van de joodse inwoners en mensen die tijdens de oorlog in Wageningen ondergedoken hebben gezeten. Van de een is meer bekend dan van de ander. Sommigen waren maar kort in Wageningen.
Een bekende onderduiker is de later beroemd geworden historicus Jacques Presser, die veel over zijn onderduik heeft geschreven en als een van de eersten over de jodenvervolging in zijn boek ‘Ondergang’ heeft gepubliceerd. Hij heeft een jaar in Wageningen ondergedoken gezeten.
Over de familie van der Horst vertelde ik hierboven al. Een andere familie die uitgebreid beschreven staat, is de familie Van der Woude. Alexander van der Woude was docent Duits op de HBS van Wageningen. Net als alle joden werd ook hij in het begin van de oorlog ontslagen omdat hij joods was. Hij had het er moeilijk mee. Toen ook joodse kinderen niet meer naar school mochten is hij zijn eigen zoon Louk en Marcel van de Horst, zoon van Michael van der Horst, gaan lesgeven. Dochter Jetje kreeg thuis les van haar moeder Elsiene. Tegen half negen ging Jetje de deur uit met een ‘dag ma’ en kwam even later de deur weer in met ‘dag juf’. Tijdens de les bleef ze haar moeder met ‘juf’ aanspreken.
De familie van der Woude dook onder in november 1942 en in februari 1944 werden zij verraden. Ze hebben de oorlog niet overleefd.
De drie auteurs zijn bij het maken van het boek niet toegekomen aan illustraties die erbij zouden kunnen komen. Hennie Slotboom overleed plotseling, kort na het afronden van het onderzoek. Ton Steenbergen en Jan van de Burg waren intussen ook ziek geworden. Jan heeft nog wel het geredigeerde manuscript gelezen, maar wilde zijn naam er niet meer boven hebben staan. Ik wil hem hier toch expliciet noemen.
Het was een enorme klus om geschikte illustraties te vinden. Ton Steenbergen had zijn archief overhandigd aan de Stichting Joods Erfgoed Wageningen, maar dit was niet geordend en onvolledig. Veel illustraties waren niet geschikt voor publicatie. Dankzij een aantal mensen is het toch gelukt om passende foto’s voor het boek te vinden. Daarbij wil ik met name Jaap Meijer noemen die het laatste jaar mijn aanspreekpunt was als bestuurslid van de stg Joods Erfgoed. Hij heeft geholpen het archief van Ton Steenbergen te doorzoeken en had zelf ook een aantal digitale foto’s. Hij heeft ook het hele, door mij geredigeerde, manuscript gelezen.
Verder wil ik Willem Vos bedanken, die de website Wageningen1940-1945 en alle foto’s van Hennie Slotboom heeft overgenomen, en Saskia Werner van museum De Casteelse Poort. Daarnaast zijn er nog anderen, die mij hebben voorzien van enkele foto’s.
Uiteindelijk heeft mijn broer Alfred het boek vormgegeven en ligt het nu voor u.
Tenslotte is het heel jammer dat Madelon Bino hier vandaag niet kan zijn. Zij is degene geweest die de aanzet tot het boek heeft gegeven. Maar ook haar gezondheid laat zeer te wensen over. Vanaf deze plaats wil ik haar dan ook heel veel sterkte toewensen.
En u, burgemeester en overige toehoorders, wens ik veel lees- en kijkplezier met deze bijzondere uitgave over de joodse gemeente Wageningen.
